Lewis Carrolls Alice in Wonderland is een onuitputtelijk verhaal. Veel kinderen zijn er gek op, mede door de klassieke tekenfilm van Walt Disney uit 1951. Wat u misschien niet weet, is dat Alice zich tot verschillende manieren van lezen leent. Zelfs neurologen vinden er hun gading in. Zo beschrijven sommige passages afwijkende vormen van perceptie. Vandaag dragen die moeilijke namen als ‘macro- en microsomatognosie’ of ‘metamorfosie’. Het werk van Carroll – zijn echte naam luidde Charles Dodgson – gaf overigens zijn naam aan een syndroom. Het Alice in Wonderland-syndroom staat als erkende neurologische aandoening beschreven in de gespecialiseerde literatuur. Toch refereert het maar aan één aspect van de hachelijke avonturen in het boek.
Door Sebastian Dieguez / Pdf van het artikel
Carrolls meesterwerk bestaat uit twee delen: Alice in Wonderland en Achter de spiegel. In de eerste plaats is het voor kinderen bestemd. Professor Dodgson verklaarde zelf dat hij een “nieuw soort sprookje” wilde uitproberen “om een kind waar ik van hield plezier te doen.”
Het kind in kwestie was Alice Liddell, het dochtertje van de rector van het Christ Church College in Oxford, waar Dodgson logica en wiskunde doceerde. Het meisje van nog geen tien fascineerde hem en tijdens boottochtjes vertelde Dodgson haar allerlei verhalen. Ze vroeg hem die op te schrijven en er een boek van te maken. Zo ontstond Alice in Wonderland.
Sindsdien vloeide heel wat inkt over het dubbelleven van Dodgson-Carroll. Talrijke bewonderaars buigen er zich nog altijd geestdriftig over. En dat is te begrijpen. Dodgson was een timide hoogleraar, met een grote reputatie als logicus. Hij stond bekend als een enigszins excentrieke vrijgezel, die zich in het gezelschap van andere volwassenen onhandig gedroeg. Tegelijk was hij Lewis Carroll, de geniale bedenker van verhalen, die aandachtig luisterde naar kleine meisjes en brieven met hen uitwisselde. Hij deinsde er zelfs niet voor terug ze naakt voor foto’s te laten poseren – zonder twijfel zou Carroll vandaag heel wat uit te leggen hebben.
Het psychedelische universum dat hij in Alice gestalte gaf, raakte pas relatief laat populair. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd het ontdekt door de Franse surrealisten. Vervolgens kreeg het ook in de Angelsaksische tegencultuur van de jaren 1960 een centrale plaats. Dat hoeft ons niet te verbazen. De inhoud van Alice in Wonderland is zo hallucinant dat velen zich afvragen of de schrijver geen psychotrope middelen gebruikte.
De vreemde wereld van de volwassenen
Vooral het subversieve karakter van Alice in Wonderland beviel in de loop der tijden kinderen en alternativo’s. Het boek staat immers haaks op de flauwe, moreel conformistische verhalen waarmee jonge lezertjes doorgaans worden gebombardeerd. De wereld van de volwassenen stelde de schrijver teleur. Hij had het inzicht en de moed een wereld te bedenken die respect toont voor de creativiteit en de onschuld van kinderen en tegelijk hun intelligentie en hun gevoel voor humor serieus neemt.
Carroll draaide het perspectief van het traditionele sprookje om. Alice, zijn heldinnetje, is in het verhaal het meest redelijke en ‘gewone’ personage. Ze wordt geconfronteerd met een onbegrijpelijk, soms boosaardig universum dat de wereld van de volwassenen symboliseert. Uitzinnige personages nemen de moraal op de korrel. Ze herleiden de redeneringen van Alice met syllogismen, omkeringen, paradoxen en woordspelletjes tot niets en zetten de taal zelf op losse schroeven – meteen ook de reden waarom dit verhaal ook linguïsten blijft fascineren.
Wie zijn kindertijd nog niet helemaal vergeten is, herinnert zich zeker hoe onlogisch en belachelijk het gedrag van volwassenen soms lijkt. Vooral dan op de momenten waarop ze gehoorzaamheid en respect eisen. Die kinderlijke verwondering over grote mensen vormt zonder twijfel een van de sleutels tot de nonsense, die specifiek Britse vorm van humor die een eeuw later razend populair werd dankzij de grappen en grollen Monty Python.
De woorden van Humpty Dumpty
Het gaat in Alice in Wonderland om een mengeling van absurde humor en surrealisme avant la lettre. Opmerkelijk is nu dat klinisch biologen soms fenomenen observeren die er verband mee lijken te houden.Er is niet alleen het Alice in Wonderland-syndroom. Elementen uit Carrolls werk duiken ook in andere domeinen van de neurologie op.
Het vreemde, eivormige personage Humpty Dumpty is beroemd voor zijn pragmatische kijk op taal. “Wanneer ik een woord gebruik, betekent dat exact wat ik wil dat het betekent – niet meer, maar ook niet minder.” Humpty Dumpty’s kijk op de dingen wordt gekenmerkt door een specifieke ‘vertroebeling’.
Bij het afscheid van Alice, zegt hij: “Als wij elkaar opnieuw tegenkomen, herken ik je zeker niet. […] Je ziet er precies uit als iedereen! […] Je gezicht is identiek … twee ogen hier… je neus in het midden, je mond onder je neus. Net als bij iedereen. Als je twee ogen aan één kant van je neus stonden, bijvoorbeeld … of als je mond op je voorhoofd zat – dat zou me helpen.” Allicht zonder er zich rekenschap van te geven, schetste Carroll met Humpty Dumpty een goed beeld van wat patiënten met prosopagnosie ervaren. Die aandoening werd voor het eerst geconstateerd bij patiënten met een hersenletsel. Recent is gebleken dat sommige mensen ermee geboren zijn. Ze zijn niet in staat twee verschillende gezichten van elkaar te onderscheiden en herkennen zelfs hun beste vrienden niet. Terwijl er aan hun gezichtsvermogen niets mankeert! Zoals Humpty Dumpty suggereert, moeten ze zich met heel specifieke details behelpen en om die te onthouden, moeten ze een grote inspanning doen. Anders onthouden ze niemands gezicht.
Alice komt terecht op een vreemde tea party. Daar ontmoet ze de Hoedenmaker. Die zou wel eens kunnen verwijzen naar de neurologische gevolgen van kwikvergiftiging. In het Engelse origineel heet het personages Mad Hatter (‘Gekke Hoedenmaker’) – een allusie op de Engelse uitdrukking ‘mad as a hatter’ of ‘zo gek als een hoedenmaker’. Die uitdrukking ontstond doordat hoedenmakers destijds vaak het slachtoffer van kwikvergiftiging werden.
Ze gebruikten overvloedig kwik om het vilt waaruit ze hun hoeden maakten, te versterken. De symptomen van die vergiftiging reiken van huiduitslag over bewegings- en gedragsstoornissen tot maagklachten en emotionele problemen.
Een voorliefde voor hoge hoeden
Carroll introduceerde met de Hoedenmaker een zoveelste excentriek personage. Maar zijn beschrijving van diens gedrag is niet voldoende gedetailleerd om er zeker van te zijn dat de schrijver de gevolgen van kwikvergiftiging bedoelde. We weten bovendien dat Carroll zich voor zijn Hoedenmaker liet inspireren door een verkoper uit Oxford die berucht was voor zijn excentrieke gedrag en zijn voorliefde voor hoge hoeden. Toch noemen we de gevolgen van een kwikvergiftiging vandaag het Mad Hatter-syndroom.
Neurologisch zijn de interessantste passages in Alice die waarin sprake is van een afwijkende waarneming van het eigen lichaam. Helemaal aan het begin van haar avonturen verstopt Alice zich in het huis van het Witte Konijn. Ze wil door een deur die te klein is. Daarom drinkt ze van een fles met op het etiket de tekst “Drink mij” (ze kijkt wel even of het woord “vergif” ook niet voorkomt).
"Neurologisch zijn de interessantste passages
die waarin sprake is van een afwijkende
waarneming van het eigen lichaam"
Alice begint te krimpen: “Vreemd, het is of ik ineenschuif, zoals een telescoop”, denkt ze. Later, wanneer ze weer groter wil worden, bijt ze in een taart met het opschrift “Eet mij”. Alice groeit waanzinnig: “Ik word langer dan de grootste telescoop die ooit bestaan heeft. Tot ziens, voeten!” Het kost Alice enkele pagina’s om van vijfentwintig centimeter twee meter vijfenzeventig te worden – zoals Carroll nauwgezet meedeelt. Alles bij elkaar verandert de lichaamslengte van zijn heldin in de loop van haar avonturen twaalf keer.
Psychoanalytici zien daarin de symbolische weergave van Carrolls verdrongen verlangen Alice te laten groeien, zodat hij met haar kon trouwen. Neurologen die migraine bestuderen denken veeleer aan wat sommige patiënten hen vertellen.
Het syndroom van Alice
De Amerikaanse neuroloog Caro Lippman legde in 1952 een verband tussen de ‘groei’ van Alice en bepaalde hallucinaties van een aantal van zijn patiënten met betrekking tot hun eigen lichaam. Het was echter de Engelse psychiater John Todd die daar in 1955 stoutmoedig de naam Alice in Wonderland-syndroom aan gaf.
Een wat angstige vrouw van negenendertig was onderhevig aan een crises waarbij ze de indruk had dat ze groeide tot haar lichaam heel de kamer innam. Soms voelde ze zichzelf krimpen en voelde ze haar handen verdwijnen. Ook een man van veertig, die geregeld met migraineaanvallen kampte, vertelde over groeien en krimpen. Het was of zijn hoofd zwol als een ballon en een van zijn armen verdween. Ook voorwerpen kregen in zijn ogen soms heel andere afmetingen dan in werkelijkheid.
Toch blijft het Alice in Wonderland-syndroom zoals Todd het definieerde tamelijk vaag. Het omvat erg verschillende neurologische symptomen. Sommige patiënten ‘nemen waar’ dat de afmetingen van hun hele lichaam anders worden; anderen hebben de indruk dat maar de helft of een kleiner deel groeit of krimpt. Men spreekt naargelang het geval van macrosomatognosie of microsomatognosie. Macropsie of micropsie duiden op de louter visuele vervorming van de afmetingen van dingen of mensen, die plots heel ver weg lijken of, integendeel, het hele gezichtsveld van de patiënt vullen. Bij metamorfosie hebben mensen gewone afmetingen, maar komen vreemde substituties of veranderingen voor. Een patiënt ziet anderen bijvoorbeeld met een hondenkop.
Omdat het Alice in Wonderland-syndroom zoveel uiteenlopende problemen behelst, zijn specialisten het er niet altijd met elkaar over eens. Bovendien treedt het syndroom op na erg uiteenlopende klinische toestanden: migraine, drugsgebruik, epilepsie, hersenletsel, stemmingsstoornissen, psychosen en ontstekingen. Veel diagnostisch nut heeft het dus niet.
Een medisch rariteitenkabinet
Het feit dat de symptomen erg van elkaar verschillen en bovendien ook heel zeldzaam zijn, wil niet zeggen dat we ze niet ernstig moeten nemen. Uit angst voor gek te worden versleten, staan patiënten niet te springen om er zelf over te beginnen. De indruk bestaat dat dit soort fenomenen vaker bij kinderen voorkomt dan bij volwassenen – of misschien lijkt dat alleen maar zo, omdat kinderen spontaner zijn en sneller zeggen wat ze ervaren.
Patiënten met het Alice in Wonderland-syndroom zijn lucide. Hoewel hun zintuigen schijnen te vertellen dat ze groter of kleiner zijn, weten ze heel goed dat het om bedrieglijke informatie gaat. Daarom is de term ‘lichamelijke illusie’ beter dan ‘lichamelijke hallucinatie’.
Helderheid van geest is overigens de belangrijkste eigenschap van Lewis Carrolls hoofdpersoon. Alice weet donders goed wat er om haar heen gebeurt en wordt telkens weer verrast door de absurditeiten die ze tegenkomt. “Al langer hoe gekker”, roept ze uit wanneer ze begint te groeien. Ze ergert zich aan de vreemde gebeurtenissen en de onwaarschijnlijke personages op haar weg door een absurde wereld.
Voor lichamelijke illusies bestaat nog geen definitieve verklaring, ook al omdat ze zo zeldzaam zijn en vaak van voorbijgaande aard, wat ze uiteraard moeilijk te onderzoeken maakt. De meeste specialisten nemen aan dat ze te wijten zijn aan abnormale activiteit in de somatosensoriële cortex.
Hoe ziek was Lewis Carroll?
Niemand weet welke mechanismen een rol spelen of waarom een lichaam soms als te groot, dan weer als te klein wordt ervaren. Er is allicht een verband met het fenomeen van de fantoomledematen bij mensen met amputaties, wat heel goed illustreert hoe een reorganisatie van het neuronennetwerk in de somatosensoriële cortex de beleving van het eigen lichaam overhoop kan gooien.
Hoe kwam Lewis Carroll erbij zijn hoofdpersoon zulke ingrijpende gedaanteverwisselingen te laten ondergaan? Putte hij uit eigen ervaring? Sommige passages in zijn dagboek wijzen in die richting, maar de meeste daarvan dateren van rijkelijk lang na de publicatie van Alice in Wonderland. Bovendien maakt de schrijver nergens melding van een verstoorde ervaring van het eigen lichaam.
Carroll kwam bovendien in contact met een heleboel kinderen. Misschien hadden hun verhalen invloed op hem. De schrijver had een veelzijdige persoonlijkheid en koesterde onder meer een levendige belangstelling voor de geneeskunde. In zijn bibliotheek stonden boeken over medische onderwerpen waaronder dat van dr. Lathom over hoofdpijn. De vraag waar hij al dan niet aan leed, blijft dus open.
Tien jaar geleden kruisten enkele specialisten in het Britse medische blad The Lancet nog de degens over Lewis Carroll. De Britse neuroloog Joseph Blau stelde dat er voor de migraine van Lewis Carroll geen formeel bewijs is. Daaruit concludeert hij dat de bizarre lichamelijke veranderingen die Alice ondergaat niets met dat soort symptomen te maken hebben. Hij betitelde die veronderstelling zelfs als “neuromythologie”.
De droom van een wiskundige
Lang duurde het niet voordat andere stemmen zich in het debat mengden. De Duitse psychiater Klaus Podoll en de Engelsman Derek Robinson, voorzitter van de vereniging van Britse migrainepatiënten, schreven een antwoord op de beweringen van Blau. Ze probeerden aan te tonen dat Carroll wel degelijk aan de ziekte leed.
De verdienste van Podoll en Robinson bestaat erin dat ze alvast twee, tot dan toe nauwelijks bekende bewijsstukken onder de aandacht brachten. Het eerste is een tamelijk vage passage in Carrolls dagboek; het tweede is een tekening die hij omstreeks 1856 maakte.
Beide suggereren dat de schrijver al vóór hij aan Alice begon aan visueel scotoom leed. Dat probleem gaat wel vaker gepaard met migraine. Bepaalde delen van het gezichtsveld vallen weg. Maar niets in het dagboekfragment of de tekening maakt het mogelijk terug te koppelen naar het Alice in Wonderland-syndroom.
De ziekte van Carroll – gesteld dat hij er een had – lijkt nog het meest op de mysterieuze Cheshire Cat, die Alice versteld doet staan doordat hij zichzelf deels onzichtbaar kan maken.
Misschien vraagt Alice in Wonderland om een benadering die de standpunten van neurologen, psychoanalytici en surrealisten verzoent en die het boek ziet als een wakende droom. In een droom is alles mogelijk. Lang voor Freud zijn theorieën daarover formuleerde, zette Caroll de interne logica ervan op losse schroeven.
De twee delen van Alice eindigen met het besef van de hoofdpersoon dat ze gedroomd heeft. Wie het verhaal een tweede keer leest, wordt getroffen door allerlei elementen die dat bevestigen en die bij een eerste lectuur aan de aandacht ontsnappen.
De vergetelheid van Schilder
De wensen van Alice worden vaak vervuld doordat ze bij haar opkomen – net zoals in een lucide droom waarbij de slaper er zich van bewust blijft dat hij zich in een virtuele wereld bevindt, een wereld die hijzelf in het leven heeft geroepen. De opeenvolging van de gebeurtenissen zelf is het resultaat van de gedachteassociaties van de heldin. Hierdoor bevindt ze zich eigenlijk in een wereld die ze geleidelijk aan, naarmate het verhaal vordert, zelf verzint. De discussies van Alice met allerlei vreemde wezens zijn eigenlijk niets meer dan een uitgebreide innerlijke monoloog.
Identiteitsproblemen, perceptie en waarneming van het eigen lichaam – allemaal dingen die in de avonturen van Alice een centrale rol spelen – komen ook voor in studies over de droom. Een pionier van die benadering was niemand minder dan Paul Schilder.
In 1938 schreef Schilder dat Alice in Wonderland voor kinderen gevaarlijk is. Toch was het uitgerekend hij die in 1942 als eerste over problemen met het lichaamsschema bij het inslapen en tijdens de droom schreef – blijkbaar was hij vergeten dat een en ander uitgebreid aan bod komt in het boek dat hij vier jaar eerder zo streng had veroordeeld.
De wegen van het onbewuste – Lewis Carroll bewijst het op zijn eigen, onnavolgbare manier – maken soms vreemde bochten. Zelfs een van de meest briljante psychoanalytici sinds Freud brachten ze hopeloos in verwarring.