Voor het eerst is een uitgestorven terreurvogel grondig geanalyseerd.
Zowat zestig miljoen jaar geleden ontstonden in Zuid-Amerika, dat toen een eiland was, grote vogels die niet konden vliegen, maar dat compenseerden met een stevige dosis agressie. Intussen zijn 18 soorten van die ‘schrikvogels’ geïdentificeerd. En nu heeft een internationaal team van wetenschappers voor het eerst zo’n vogel grondig bestudeerd.
Dat deden ze aan de hand van het skelet van een andalgalornis, die zes miljoen jaar geleden in het noordwesten van het huidige Argentinië leefde. Ze voerden CT-scans uit, maakten een 3D-model en lieten daar speciale software op los.
De loopvogel was 1,40 meter groot en woog zowat 40 kg. Net als alle schrikvogels had de andalgalornis een grote schedel (van 37 cm diameter). Maar het opvallendste was zijn bek: die was enorm groot en had haken aan het uiteinde. De computersimulaties wijzen uit dat de vogel zijn prooi hoogstwaarschijnlijk stak met die haken, op dezelfde manier als een bokser herhaaldelijk uithaalt en zich weer terugtrekt. De prooi te pakken nemen en ermee schudden kon hij niet – daarvoor was zijn bek te smal. Zodra zijn maaltijd de geest gaf, scheurde hij die in eetbare porties of at hij zijn prooi – indien mogelijk – in zijn geheel op.
‘We moeten nu achterhalen welke ecologische rol deze verbazingwekkende vogels vervulden. Dat zal helpen om de evolutie van de ecosystemen van Zuid-Amerika te begrijpen’, zegt de Argentijnse onderzoeker Federico Degrange.
Tijdens de bloeiperiode van de schrikvogels leefden nog wel meer reuzendieren in Zuid-Amerika, zoals gigantische luiaards, knaagdieren van drie meter lang en vleesetende buideldieren. Toen drie à vier miljoen jaar geleden Zuid-Amerika verbonden raakte met Noord-Amerika, stierven de schrikvogels uit. Waarschijnlijk waren ze niet opgewassen tegen de nieuwe roofdieren, zoals wolven, panters en tijgers, die vanuit het noorden het voormalige eiland veroverden. (lg)